Koplopersgedrag in circulaire bouw
De transitie naar een circulaire gebouwde omgeving daagt actoren in de keten van de bouw uit om hun gedrag fundamenteel te veranderen. Professionals die in de brede keten van de bouw bezig zijn deze transitie te realiseren, merken in de praktijk bij zichzelf, en bij een ieder waar zij mee samen moeten werken en die zij mee moeten nemen als zij hun beoogde doelen willen behalen, wat dit vraagt. Met hun initiatieven zetten zij belangrijke stappen en weten zij verandering in de keten te realiseren. Deze voorhoede van koplopers loopt daarbij tegen allerlei uitdagingen aan, maar weet toch dingen voor elkaar te krijgen. Dergelijke veranderingen, wat zij doen, zijn tot nu toe onvoldoende begrepen. Onderzoek naar circulair bouwen richt zich doorgaans op veranderingen op macro- of mesoniveau, waarbij sociaal-economische trends en organisatiestrategieën centraal staan, terwijl individuele praktijken op microniveau veel minder aandacht krijgen. Daardoor is er beperkt inzicht in hoe gedrag dat aansluit bij circulaire principes zich in de praktijk manifesteert. En: hoe weten zij ondanks alle belemmeringen en uitdagingen (waar we wel veel kennis over hebben) beweging te creëren? Terwijl daar wel een belangrijke kern zit: hoe zijn professionals bezig, en wat maakt dat het hen lukt, om de bouw te verduurzamen? Wat moeten zij kunnen, welke drijfveren boren zij aan, welke omstandigheden hebben zij nodig of weten zij te creëren, waardoor verandering daadwerkelijk plaatsvindt?
Deze studie heeft als doel samen met koplopers in circulaire bouw te analyseren welke gedragscomponenten de implementatie van circulariteit binnen de gebouwde omgeving stimuleren.
Door semigestructureerde interviews af te nemen met vragen gebaseerd op het Capability-Opportunity-Motivation-Behavior (COM-B)-model, ontrafelen we gewenst circulair gedrag van voorlopers binnen de bouwsector. Het COM-B-model, ontwikkeld door Susan Michie et al. (2011), is een raamwerk voor het begrijpen van individueel gedrag. Het stelt dat gedrag (B) het resultaat is van de interactie tussen drie componenten: de psychologische en fysieke capaciteit van het individu (C), externe factoren die de gelegenheid bieden (O), en reflectieve en automatische processen die de motivatie aansturen (M).
Met vragen afgeleid van dit COM-B-model hebben we semigestructureerde interviews uitgevoerd met 20 voorlopers in de Nederlandse bouwsector. Ze werden geselecteerd omdat zij ieder pionierende praktijken hadden geïnitieerd die aansluiten bij circulaire principes. Met andere woorden: zij waren er succesvol in geslaagd hun gedrag af te stemmen op circulaire principes. Na het transcriberen en analyseren van de interviews hebben we hun gedrag verder ontrafeld. De door ons gedocumenteerde implementaties van circulariteit hebben betrekking op uiteenlopende praktijken binnen de gehele waardeketen. De interpretatie van deze praktijken laat zien hoe gedragscomponenten met elkaar interageren.
De interviews werden ingezet als reflectiemethode. Door met professionals te kijken naar het eigen gedrag, en door te vragen op wat zij deden, wat zij daarvoor moesten kunnen en weten, welke omgevingsfactoren essentieel waren voor hun succes en welke dieperliggende drijfveren de basis waren voor hun gedrag, wilden we hen stimuleren op een reflexieve manier naar hun eigen professionele rol te kijken. Daarbij maakten we ook expliciet dat hun gedrag als voorbeeld en inspiratie kan dienen voor anderen. Nadat de interviews waren afgenomen, stuurden we elke deelnemer een persoonlijke terugkoppeling met een samenvatting van de belangrijkste inzichten die zij ons hebben meegegeven en enkele beelden die wij van hen als circulaire koploper hebben opgedaan, geconcretiseerd aan de hand van het COM-B model. Met als doel verdere gedachtenvorming over de eigen professionele rol te stimuleren.
“
Inhoudelijk:
De meeste praktijkprofessionals werden gemotiveerd door een diepgewortelde zorg voor het milieu en de bereidheid om het systeem te veranderen. Motivatie gaat voor een groot deel van de koplopers daarentegen totaal niet over idealisme. Motivaties zijn breed en gaan voor een belangrijk deel van de koplopers bijvoorbeeld ‘simpelweg’ over zien hoe onlogisch het is dat een systeem stukken beter kan, oplossingen voorhanden zijn, maar dat we “als maatschappij die stap toch niet nemen”. Uitdaging en een natuurlijke drive hebben tot het oplossen van problemen, daar waar zaken logischer en beter kunnen. Al dan niet gecombineerd met een ‘groen hart’.
Wat betreft capaciteiten blijken voorlopers vooral uit te blinken in interpersoonlijke vaardigheden (het verbinden met anderen), strategisch denken (het formuleren van uitvoerbare strategieën), toekomstgericht denken (het overzien van mogelijke gevolgen) en waardengedreven denken (het reflecteren op circulaire waarden). Om de implementatie van circulariteit te kunnen aansturen, blijken de volgende gedragscomponenten essentieel te zijn:
Belangrijke randvoorwaarden zijn steun vanuit de eigen organisatie, ondersteuning van andere stakeholders en gunstige wet- en regelgeving. Specifiek worden vaak genoemd dat essentiële stimulerende omgevingsfactoren liggen in zaken als formele duurzaamheidsaanbestedingen, contact met gedreven ondernemers die kansen zien en willen verkennen en interne steun van het bestuur, management en ruimte voor innovatie.
Onze vergelijking laat twee hoofdpatronen zien, die beide samenhangen met uitgebreide capaciteiten, maar verschillen in de volgorde van interactie. In het eerste patroon grijpen professionals nieuwe kansen aan die voortkomen uit het veranderende sociaal-economische landschap, omdat zij al sterk gemotiveerd waren om duurzaam gedrag te vertonen. In het tweede patroon raken professionals juist gemotiveerd om duurzaam te handelen dóór datzelfde veranderende landschap.
Ons perspectief op microniveau, gericht op baanbrekende implementaties van circulariteit in de bouwsector, laat zien hoe voorlopers hun professionele gedrag afstemmen op circulaire principes. We documenteren circulaire praktijken, interpreteren gedragscomponenten en ontrafelen twee onderling samenhangende patronen. Transformationele verandering wordt mogelijk, zo stellen wij, wanneer capaciteiten worden uitgebreid: óf wanneer gemotiveerde professionals inspelen op nieuwe kansen, óf wanneer diezelfde kansen hen motiveren om verandering in gang te zetten. Deze nieuwe inzichten werpen een ander licht op de manieren waarop individuele professionals transformationele verandering binnen de gebouwde omgeving kunnen stimuleren. Ook bieden ze concrete aanknopingspunten voor training en onderwijs om het (toekomstig) menselijk kapitaal dat nodig is om de bouw te verduurzamen.
Naast de inhoudelijke inzichten, hebben de koplopers door hun deelname aan deze studie ook gereflecteerd op hun eigen handelen en gedrag. Daar zijn onder andere de volgende feedbackpunten uit voorgekomen:
Terugkijkend op deze studie laat de COM-B-benadering zien dat het analyseren van koplopers in circulaire bouw niet alleen inzicht geeft in wat zij doen, maar vooral waardoor hun gedrag mogelijk wordt gemaakt en hoe dit zich ontwikkelt in de praktijk. De interviews maken zichtbaar dat circulair handelen niet primair voortkomt uit één dominante motivatie, zoals sterk idealisme, maar uit een bredere mix van drijfveren, waaronder ook een oplossingsgerichte houding en het herkennen van systeemlogica. Tegelijkertijd bevestigt het onderzoek dat motivatie pas effectief wordt wanneer deze samenvalt met ontwikkelde vaardigheden en ondersteunende omgevingscondities.
De reflectieve opzet van de interviews en de terugkoppeling naar deelnemers bleek daarbij waardevol: professionals gaven aan dat zij op een nieuwe manier naar hun eigen rol keken en dat juist vragen over persoonlijke drijfveren en gedragsvoorwaarden hen hielpen hun handelen te expliciteren. Dit onderstreept dat het COM-B-model niet alleen een analysekader is, maar ook een reflectie-instrument dat bewustwording kan stimuleren over de eigen positie in de transitie.
Het model helpt om gedragscomponenten te structureren, maar kent zijn beperkingen. Zo doet deze persoonlijke reflectieve methode minder recht aan de dynamiek en complexiteit van systeemverandering zelf, waarin toevallige ontmoetingen, institutionele logica en historische context een grote rol spelen. Ook zijn de categorieën motivatie, capaciteit en opportunity in de praktijk sterk verweven, waardoor scherpe scheidingen analytisch behulpzaam zijn, maar in de praktijk niet altijd eenduidig bestaan.
De inzichten uit deze studie maken daarmee duidelijk dat transformationele verandering in de gebouwde omgeving niet kan worden herleid tot individuele factoren alleen, maar ontstaat in de wisselwerking tussen handelingsbekwaamheid, persoonlijke drijfveren en de veranderende context. Het instrument heeft vooral waarde als lens om deze interacties zichtbaar en bespreekbaar te maken, zowel in onderzoek als in praktijkgerichte leer- en ontwikkeltrajecten.
Marc van den Berg en Marian Zandbergen